100 jaar zorgvuldigheid

Het arrest Lindenbaum/Cohen: een verruiming van het begrip ‘onrechtmatig handelen’

31 januari 1919: de datum waarop misschien wel het bekendste Nederlandse arrest is gewezen. Het gaat om het arrest Lindenbaum tegen Cohen, dat volgende maand 100 jaar geleden door de Hoge Raad is gewezen. Dat het arrest van grote betekenis is geweest, wordt onderstreept door het gegeven dat de Universiteit Leiden, de Universiteit van Amsterdam en de Hoge Raad ter viering van het 100-jarige jubileum, volgende maand een congres hierover organiseren. Een goede aanleiding ook hier aandacht te besteden aan dit arrest.

Wat voorafging: het arrest ‘Zutphense Waterleiding’

De definitie van het begrip ‘onrechtmatig handelen’ was onder het burgerlijk recht uiterst beperkt, in die zin dat alleen handelingen die in strijd waren met wettelijke bepalingen of inbreuk maakten op iemands rechten als onrechtmatig werden aangemerkt.

Op 10 juni 1910 wees de Hoge Raad het arrest ‘Zutphense Waterleiding’. In deze casus was een waterleiding geknapt in een opslagplaats op de begane grond voor lederen kleding. De hoofdkraan bevond zich in de woning van de bovenbuurvrouw. De eigenaar van de opslagplaats verzocht de bovenbuurvrouw meerdere keren om deze kraan dicht te draaien. Echter, zij weigerde dit te doen omdat ze van mening was dat de eigenaar enkel de intentie had om haar nachtrust te verstoren. De eigenaar van de opslagplaats stelde door het knappen van de waterleiding schade te hebben geleden en vorderde schadevergoeding van de bovenbuurvrouw omdat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld.

De Hoge Raad bepaalde in dit arrest dat het begrip ‘onrechtmatig handelen’ niet mocht worden uitgebreid en strikt naar de letter van de wet toegepast moest worden. Zoals hierboven aan de orde kwam, konden enkel handelingen die in strijd met de wet waren of inbreuk maakten op iemands rechten als onrechtmatig worden gezien. Onbetamelijkheid of onzorgvuldig handelen viel daar niet onder en een verruiming van het begrip zou de verantwoordelijkheid van de wetgever zijn. De bovenbuurvrouw had dus niet onrechtmatig gehandeld jegens de eigenaar van de opslagplaats.

Lindenbaum/Cohen: de casus

In 1919 ging de Hoge Raad ‘om’ en oordeelde in een andere lijn dan in het hierboven genoemde arrest Zutphense Waterleiding. De casus was als volgt. Lindenbaum en Cohen hadden beide een drukkerij in Amsterdam en waren elkaars concurrenten. Cohen, in een poging om zijn concurrent te slim af te zijn, kocht een werknemer van Lindenbaum om. Het doel was om deze werknemer bij Lindenbaum te laten spioneren en om zo belangrijke informatie dan wel bedrijfsgeheimen van Lindenbaum te achterhalen. Deze informatie zag onder andere op de door Lindenbaum uitgebrachte offertes aan klanten van hem. Daardoor kon Cohen zijn eigen prijzen verlagen en klanten van Lindebaum ‘stelen’. Toen Lindenbaum achter deze omkoperij kwam, vorderde hij bij de rechter schadevergoeding van Cohen op grond van onrechtmatig handelen.

Lindenbaum/Cohen: het oordeel

In tegenstelling tot wat het Hof in deze zaak besliste, oordeelde de Hoge Raad dat wel degelijk sprake kon zijn van onrechtmatig handelen. De Hoge Raad besliste dat onder onrechtmatig handelen niet alleen handelen in strijd met de wet valt, maar ook het handelen of nalaten dat ‘indruischt, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijke verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed, terwijl hij door wiens schuld ten gevolge zijn daad aan een ander schade wordt toegebracht, tot vergoeding daarvan is verplicht’.

De uitkomst van de zaak was dat de Hoge Raad de zaak terugverwees naar het Hof, maar de uitleg van dit criterium was zo invloedrijk, dat het later is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit artikel 6:162 BW, waarin de onrechtmatige daad tegenwoordig is gecodificeerd, vloeit namelijk voort dat een doen of nalaten ‘in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’, onrechtmatig is.

Conclusie

Ook al is het arrest Lindenbaum/Cohen bijna 100 jaar geleden gewezen, het is nog steeds van grote betekenis in de huidige rechtspraktijk. Het arrest heeft de weg vrijgemaakt voor een ruimere invulling van het begrip onrechtmatige handelen. Niet alleen in strijd handelen met de wet, ook het handelen in strijd met de goede zeden en het schenden van de zorgvuldigheid die men in het maatschappelijk verkeer moet betrachten, is sindsdien als onrechtmatig handelen aan te merken.

Een recent voorbeeld hiervan is een arrest van het gerechtshof Amsterdam waar de schending van de zorgvuldigheidsnorm in relatie tot vervuild afvalwater van een Ierse geneesmiddelenproducent centraal stond.

 


«MEER WETEN? »