Boedelvordering wegens niet-genoten vakantiedagen?

Is de vordering wegens niet-genoten vakantiedagen die zijn opgebouwd voor faillissementsdatum, een boedelvordering?

Komt de Hoge Raad in Koot Beheer / Tideman q.q. terug op LISV / Wilderink q.q.?

In zijn arrest van 3 december 1999 (NJ 2000-53 met noot PvS) (LISV / Wilderink q.q.) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vordering van een werknemer wegens niet-genoten vakantiedagen dient te worden aangemerkt als een boedelvordering, ongeacht of de vakantiedagen zijn opgebouwd voor of na faillissement. Door het arrest Koot Beheer / Tideman q.q. (HR 19 april 2013, nr 12/81, ECLI:NL:HR:2013:BY6108) is het begrip ‘boedelvordering’ opnieuw gedefinieerd. Aan de orde is de vraag of na het arrest Koot Beheer / Tideman q.q. de vordering wegens niet genoten vakantiedagen die zijn opgebouwd vóór faillissementsdatum, nog steeds moet worden aangemerkt als een boedelvordering. Met andere woorden: geldt LISV / Wilderink q.q. nog?

Boedelvorderingen

Sinds Koot Beheer / Tideman q.q. zijn boedelvorderingen:

  1. vorderingen die bij wet als zodanig zijn geduid. Voorbeeld daarvan is de vordering van de verhuurder op huurpenningen over de eerste drie maanden na faillissementsdatum (art. 39 Fw);
  2. vorderingen wegens verplichtingen die de curator in zijn hoedanigheid is aangegaan. Hierbij kan worden gedacht aan factuur van de taxateur van activa of van de IT-specialist die op verzoek van de curator kopieën van de e-mailboxen heeft gemaakt;
  3. vorderingen die het gevolg zijn van onrechtmatig handelen of nalaten door de curator in zijn hoedanigheid. Een voorbeeld van zo’n vordering is de vordering van de leverancier wiens beroep op een eigendomsvoorbehoud ten onrechte niet is gehonoreerd.

Voor Koot Beheer / Tideman q.q. bestond ook nog de categorie “toedoen-vorderingen”. Hieronder dienden te worden verstaan vorderingen die waren ontstaan door toedoen van de curator. Doordat de curator de huur had opgezegd kwam er een eind aan de huur en daardoor ontstond de verplichting om de gehuurde zaak weer in oorspronkelijke toestand terug te brengen. Die vordering was dan ontstaan door toedoen van de curator en werd daarom aangemerkt als boedelschuld. Die leer is verlaten. Alleen als een van de bovengenoemde criteria op een vordering van toepassing is, is het een boedelvordering.

UWV / Aukema q.q. ECLI:NL:HR:2017:2907

Het UWV heeft in het faillissement van Scholte Transport Distributie B.V. vorderingen ingediend bij curator mr. M. Aukema. Onderdeel van de vorderingen was de vordering wegens niet-genoten vakantiedagen. De curator heeft ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de periode voor faillissementsdatum, betwist dat er sprake is van een boedelvordering, zich daarbij beroepend op Koot Beheer / Tideman q.q.. In de procedure tussen het UWV en de curator die daaruit voortvloeide heeft de kantonrechter in Leiden prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad:

  1. Gelden na het arrest Koot Beheer / Tideman q.q nog steeds de oordelen van de Hoge Raad als verwoord in LISV / Wilderink q.q.?
  2. Kwalificeert het recht van een werknemer op een uitkering in geld ex art. 7:641 BW ten aanzien van niet-genoten vakantiedagen opgebouwd voor faillissementsdatum, als een voorwaardelijke verbintenis, die geverifieerd kan worden waardoor deze niet kwalificeert als boedelvordering in de zin van art. 40 lid 2 Fw noch als algemene faillissementskosten in de zin van art. 182 Fw?
  3. Zo niet, mag de curator in het belang van de boedel, bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst de werknemer verplichten om niet-genoten vakantiedagen op te nemen en geen aanspraak op uitkering in geld te maken om zo het ontstaan van de boedelschuld te voorkomen althans te beperken?

Oordeel Hoge Raad

Bij zijn beantwoording heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met het arrest Koot Beheer / Tideman q.q. niet is teruggekomen van zijn oordelen  in het arrest LISV / Wilderink q.q. en dat daar ook thans geen aanleiding voor is. De oordelen in het arrest LISV / Wilderink q.q. geven dus het geldend recht weer. Daarmee zijn de eerste twee prejudiciële vragen beantwoord.

Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag heeft de Hoge Raad beslist dat het met het wettelijk stelsel omtrent vaststelling van vakantiedagen niet verenigbaar is dat de werknemer door de curator van de gefailleerde werkgever met het oog op het belang van de boedel zou kunnen worden gedwongen tot het opnemen van vakantiedagen. In een dergelijk geval is geen sprake van gewichtige redenen op grond waarvan een uitzondering mogelijk is op het uitgangspunt dat de wensen van de werknemer leidend zijn bij de vaststelling van vakantie (art. 7:638 leden 2 en 5 BW).

Samenvattend

LISV / Wilderink q.q. is nog steeds geldend recht en de vordering wegens niet-genoten vakantiedagen is een boedelvordering.

Vindplaats: ECLI:NL:HR:2017:2907

Door Ramon Frankfort.


«MEER WETEN? »