De gevolgen van niet-tijdige deponering en de mogelijkheden om deze af te wenden

In de vorige blog is uiteengezet wat de uiterste termijn is voor het deponeren van de jaarstukken. Kort samengevat: in het geval dat alle aandeelhouders tevens bestuurders zijn, is de deponeringstermijn 10 maanden en 8 dagen. In het geval dat niet alle aandeelhouders tevens bestuurders zijn, is de deponeringstermijn 12 maanden. In het laatste geval is het dus zaak dat de jaarrekening uiterlijk op 31 december 2018 is gedeponeerd, zodat de bestuurders niet mogelijk te maken krijgen met de gevolgen van de overschrijding van de termijn. In deze blog wordt ingegaan op wat die gevolgen zijn en hoe deze, naast het op tijd deponeren, kunnen worden afgewend.

De gevolgen van het niet-tijdig deponeren

Het niet-tijdig deponeren is ten eerste aan te merken als een economisch delict (art. 1 sub 4 Wet op de economische delicten). Dat betekent dat het niet-tijdig deponeren een strafbaar feit is, wat een geldboete van maximaal € 19.500,- tot gevolg kan hebben. Rechterlijke uitspraken in het kader van voornoemd economisch delict zijn schaars, alhoewel recente signalen uit de praktijk een toename in handhaving van deze regel laten zien.

Een ander mogelijk gevolg vloeit voort uit het bepaalde in artikel 2:248 BW. Dit artikel ziet op de aansprakelijkheid van bestuurders bij faillissement. In artikel 2:248 lid 2 BW is bepaald dat indien het bestuur de jaarrekening niet heeft gedeponeerd, zij haar taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling (lees: wanbeleid) een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De curator kan de bestuurder(s) op deze grond (hoofdelijk) aansprakelijk stellen voor het totale tekort van de boedel. De wetgever vond de deponeringsplicht kennelijk een dusdanig belangrijke verplichting dat het niet-nakomen hiervan in faillissementen in beginsel wanbeleid met zich meebrengt.

Het afwenden van bestuurdersaansprakelijkheid

Is het bestuur de verplichting om de jaarrekening tijdig te deponeren niet nagekomen en wordt het bestuur op grond van artikel 2:248 BW door de curator aansprakelijk gehouden voor de tekorten van de boedel, dan zijn er een aantal mogelijkheden om bestuurdersaansprakelijkheid te voorkomen. Deze mogelijkheden worden in het navolgende besproken.

Ontzenuwen van het vermoeden: andere oorzaak faillissement

Het vermoeden dat het wanbeleid de oorzaak is van het faillissement, kan door de bestuurder worden ontzenuwd door aan te tonen dat het faillissement een andere oorzaak heeft gehad dan wanbeleid die niet is te wijten aan de bestuurder. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een significante toename in concurrentie, een verlies op een groot project, onvoorziene omstandigheden zoals een brand (aangenomen dat er een brandverzekering is afgesloten), de vondst van asbest of andersoortige gebeurtenissen.

Disculpatie

Voorts is van belang artikel 2:248 lid 3 BW. Ingevolge het bepaalde in dit artikel kan de bestuurder zich disculperen van aansprakelijkheid door aan te tonen dat het wanbeleid ter zake van de te late deponering niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Dit betekent dat de bestuurder niet alleen moet aantonen dat hij ‘onschuldig’ is, maar ook dat hij niet heeft stilgezeten en actief heeft geprobeerd maatregelen te treffen.

Artikel 2:248 lid 4 BW bepaalt verder overigens dat de rechter het bedrag waarvoor de bestuurder aansprakelijk wordt gesteld, kan verminderen indien dit hem bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling.

Onbelangrijk verzuim

Naast de mogelijkheden van de bestuurder om het vermoeden te ontzenuwen of zich te disculperen, kan de bestuurder zich ook beroepen op een zogenaamd ‘onbelangrijk verzuim’ (artikel 2:248 lid 2 BW). Het gaat hier om de vraag of de termijnoverschrijding zo onbelangrijk is, dat deze geen wanbeleid van het bestuur oplevert. De tekortkoming van het bestuur wordt aldus niet in aanmerking genomen als sprake is van een onbelangrijk verzuim. De aansprakelijkgestelde bestuurder zou hier zijn derde handvat aan kunnen ontlenen om onder de aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW uit te komen.

De vraag rijst wanneer een termijnoverschrijding moet worden aangeduid als onbelangrijk verzuim. De vraag of sprake is van een ‘onbelangrijk verzuim’ hangt volgens de Hoge Raad af van:

‘[…] de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat de stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten’ (zie onder meer: HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1981).

De Hoge Raad heeft in de loop der jaren herhaaldelijk invulling gegeven aan de bovenstaande rechtsregel. Zo werd een overschrijding van de termijn met 12 dagen gekwalificeerd als een onbelangrijk verzuim omdat sprake was van een overschrijding van ‘slechts enkele dagen’ (HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994). In latere jurisprudentie is echter uitgemaakt dat de omschrijving ‘slechts enkele dagen’ niet te letterlijk moet worden opgevat en er altijd een redelijke verklaring moet zijn waarom de jaarrekening niet tijdig is gedeponeerd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een termijnoverschrijding van 17 en 27 dagen niet moet worden gezien als een onbelangrijk verzuim omdat geen redelijke verklaring werd gegeven voor de te late publicatie (HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1981 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189).

Een redelijke verklaring voor een termijnoverschrijding (van 10 dagen) zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat een accountant wegens zakelijke verplichtingen pas later is toegekomen aan het opstellen van de jaarstukken (HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1079). Of een dyslectische bestuurder die dacht dat zijn accountant de jaarrekening had gedeponeerd en daarom onterecht de jaarrekening opborg in een verhuisdoos, met als gevolg een termijnoverschrijding van 28 dagen (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189). Een dergelijk ‘misverstand’ kan een onbelangrijk verzuim met zich meebrengen. Ook een problematische aandelentransactie en de daarmee samenhangende vertraging in de levering van die aandelen, gecombineerd met het overlijden van een familielid van de bestuurder kan een termijnoverschrijding van 42 dagen als een onbelangrijk verzuim kwalificeren (Rb. Noord-Nederland 3 februari 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:500). Tot slot wordt in de wetsgeschiedenis het voorbeeld aangehaald van een termijnoverschrijding als gevolg van een computerstoring, welke eveneens een onbelangrijk verzuim met zich mee kan brengen.

Kortom, er dient een redelijke verklaring te zijn voor de termijnoverschrijding wil een beroep op een onbelangrijk verzuim slagen.

Geen definitieve jaarstukken, toch deponeren?

Mocht de vaststelling niet hebben plaatsgevonden of heeft het bestuur de jaarrekening niet willen ondertekenen, zorg dan dat de conceptstukken worden gedeponeerd met als opmerking dat de stukken niet zijn definitief vastgesteld of ondertekend. Hiermee kan een aansprakelijkstelling op de voet van art. 2:248 BW worden voorkomen.

Conclusie

De beste manier om de gevolgen bij faillissement van het niet of te laat deponeren van de jaarrekening af te wenden, is door de jaarrekening tijdig te deponeren. In het geval dat niet alle aandeelhouders tevens bestuurders zijn, dient de jaarrekening uiterlijk op 31 december 2018 te zijn gedeponeerd. Is de termijn overschreden, dan staat bij faillissementen in beginsel vast dat sprake is van wanbeleid. In geval van faillissement geldt het vermoeden dat dit wanbeleid de oorzaak is geweest van het faillissement. De curator kan de bestuurder(s) dan (hoofdelijk) aanspreken voor het boedeltekort.

Het vermoeden is echter weerlegbaar. De bestuurder kan (1) aanvoeren dat het faillissement een andere oorzaak heeft gehad dan wanbeleid. De bestuurder kan daarnaast (2) aanvoeren dat het wanbeleid niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

Tot slot kan de bestuurder zich in sommige gevallen succesvol beroepen op een onbelangrijk verzuim. Een onbelangrijk verzuim betekent namelijk dat geen sprake is van wanbeleid. Of een termijnoverschrijding wel of niet als ‘onbelangrijk verzuim’ moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Hoe langer de overschrijding van de deponeringstermijn, hoe sterker de argumenten van de bestuurders moeten zijn waarom wanbeleid geen belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement.

Heeft u een vraag over de deponeringsplicht of wordt u als bestuurder aansprakelijk gesteld en bent u benieuwd naar uw rechtspositie, neem dan contact op met FrankfortSluis Advocaten!

 


«MEER WETEN? »