Hoe ver reikt de aansprakelijkheid van de eigenaar van een gezonken schip?

Dat het verloren gaan van een schip voor de eigenaar extra dramatische gevolgen kan hebben blijkt uit het navolgende.

Wrakkenwet 1934

Als een schip vergaat in openbaar water – dat is water dat bij een overheidsinstantie in beheer is – gelden de bepalingen van de Wrakkenwet. Deze wet stamt uit 1934. Toen slaagde de wetgever er kennelijk nog in met weinig woorden een regeling tot stand te brengen; de wet telt niet meer dan 13 artikelen.
Artikel 10 van de Wrakkenwet bepaalt dat de kosten die de beheerder van het openbare water moet maken om een wrak te bergen en op te ruimen door de beheerder mogen worden verhaald op degene die volgens de wet – daarmee wordt de wet in het algemeen bedoeld –  voor die schade aansprakelijk is.
Enige tijd geleden heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan die tot gevolg heeft dat de tot dan toe aangenomen aansprakelijkheid van de eigenaar van een schip flink is uitgebreid.

Gezonken jacht

Het betrof een geval van een motorjacht dat op de Noordzee voor de kust van Zuid-Holland was gezonken; de bemanning was veilig van boord gehaald.
Rijkswaterstaat probeerde vervolgens het wrak te lokaliseren, maar kon het niet vinden. Vervolgens heeft men op de plaats waar de opvarenden aan boord waren genomen twee cardinale boeien uitgelegd, zodat de scheepvaart werd gewaarschuwd voor mogelijk gevaar.
Kort daarna zijn die boeien weer opgenomen, het wrak is nooit gevonden.

Aansprakelijkstelling van eigenaar

De Staat stelde vervolgens de eigenaar van het jacht aansprakelijk voor de kosten gemoeid met het uitleggen en weer opnemen van de boeien, voor een bedrag van € 18.234,40. De Staat baseerde zijn vordering op artikel 10 van de Wrakkenwet, gecombineerd met artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Dit laatste artikel vormt de basis van het algemene leerstuk van onrechtmatige daad. Artikel 10 van de Wrakkenwet kan gezien worden als een uitwerking daarvan voor specifieke situaties waar die wet op van toepassing is.
Het onrechtmatig karakter van de situatie werd in de visie van de Staat veroorzaakt door het feit dat het jacht op de bodem van het door de Staat beheerde vaarwater terecht was gekomen. Het leverde daar een zodanig gevaar voor de scheepvaart op dat de Staat als beheerder van dat vaarwater genoodzaakt was over te gaan tot markering van de plek waar het jacht gezonken was.

Betwisting aansprakelijkheid

De eigenaar van het jacht was tegen aansprakelijkheid jegens derden verzekerd. Zijn verzekeraar betwistte aansprakelijkheid en de vordering van de Staat.
Zowel bij de rechtbank als bij het gerechtshof vond de verzekeraar gehoor. Beide instanties  oordeelden – onder verwijzing naar eerdere uitspraken van de Hoge Raad – dat de eigenaar alleen dan tegenover de Staat gehouden zou zijn tot (betaling van de kosten van) verwijdering van het jacht indien de gevaren, verbonden aan het niet verwijderen ervan, zo groot waren dat zij de Staat als beheerder redelijkerwijs tot verwijdering noopten.
Maar nu het wrak van het jacht nooit gevonden was, kon er ook geen noodzaak zijn geweest tot verwijdering, zo werd overwogen.

Uitbreiding van aansprakelijkheid door de Hoge Raad

In eerdere rechtspraak had de Hoge Raad al overwogen dat een scheepseigenaar tegenover de Staat verplicht is een gezonken schip te (laten) verwijderen. Doet hij dat niet, dan handelt hij onrechtmatig.
In onderhavige casus heeft de Hoge Raad deze rechtsregel uitgebreid naar alle situaties waarin maatregelen noodzakelijk zijn omdat een wrak mogelijk een gevaar voor de scheepvaart vormt. Dat heeft tot gevolg dat de eigenaar niet alleen aansprakelijk kan worden gehouden voor de kosten van de berging, maar ook voor de kosten van het uit voorzorg plaatsen van boeien om de locatie van een wrak te markeren. Het aanvullende verweer van de verzekeraar dat een eigenaar niet bevoegd is zelf markeringen uit te leggen, doet aan de aansprakelijkheid niet af, aldus de Hoge Raad.

Conclusie

Het zinken van een schip zal dus voor de eigenaar van een schip of diens assuradeuren niet slechts een verplichting meebrengen de kosten van de berging te vergoeden, maar ook de kosten die voortvloeien uit de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen.
Dick Sluis


«MEER WETEN? »