Kwijting is geen kwijtschelding

De term “kwijting” of “finale kwijting” komt veel voor in juridische documenten. Daarmee wordt bedoeld dat de betrokken partijen, buiten hetgeen zij in zo’n document hebben afgesproken, niets meer van elkaar te vorderen hebben en dus elkaar volledige kwijting verlenen.

Met name in een zogenaamde Vaststellingsovereenkomst is een bepaling met betrekking tot finale kwijting gebruikelijk. Zo’n overeenkomst wordt door partijen gesloten ter beëindiging of ter voorkoming van een onzekerheid of een geschil over hetgeen tussen hen rechtens geldt. Maar ook bij andere afspraken waarbij over en weer prestaties (betalingen) zijn verricht wordt kwijting afgesproken.

Zo’n kwijting suggereert dat partijen, nadat zij uitvoering hebben gegeven aan hetgeen is afgesproken, definitief van elkaar af zijn. Uit een enige tijd geleden door de Hoge Raad gewezen arrest blijkt dat dit zeker niet altijd opgaat…

Arrest Hoge Raad

Twee partijen sluiten een overeenkomst waarbij aandelen worden verkocht en overgedragen. Daarnaast wordt door de kopende partij een krediet verschaft aan de verkoper. De schuld van de koper tot betaling van de koopprijs wordt (deels) verrekend met de schuld uit hoofde van de kredietovereenkomst. De leveringsakte bevat een clausule dat partijen elkaar over en weer kwijting verlenen: de koper verleent kwijting aan de verkoper voor de vordering uit hoofde van de kredietverlening; de verkoper verleent kwijting aan de koper voor de betaling van de koopprijs.

Na enige tijd ontdekt de verkoper dat zij haar vordering op de koper verkeerd had berekend, zij heeft recht op € 225.000,- meer dan zij van de koper heeft ontvangen. De rechtbank wijst de vordering toe, maar in hoger beroep geeft het hof een ander oordeel dat ertoe leidt dat de vordering alsnog wordt afgewezen. Het hof overweegt dat de verkoper gezien de verleende kwijting afstand heeft gedaan van het niet betaalde gedeelte van de vordering. Daarbij meent het hof dat het beroep van de koper op de kwijting geen strijd oplevert met de redelijkheid en de billijkheid. Het hof overweegt verder dat het kwijtingsbeding voor rekening van de verkoper komt, nu zij wist welke bedragen bij de afrekening betrokken dienden te worden en zij er zelf op bedacht had moeten zijn dat de berekening niet correct was.

De verkoper laat het er niet bij zitten en legt de zaak aan de Hoge Raad voor. In zijn overwegingen gaat de Hoge Raad terug naar de betekenis van het begrip kwijting, zoals die in de wet geregeld is. In de wet staat dat een schuldeiser voor de voldoening van een schuld verplicht is een kwijting (kwitantie) te verlenen. Die geldt als bewijs van nakoming. De schuldenaar kan zo bewijzen dat hij betaald heeft.

De vraag is nu wat partijen bedoelen als zij elkaar kwijting – al dan niet finaal- verlenen? Er zijn grofweg drie mogelijkheden. De kwijting is een bevestiging dat de verschuldigde prestaties zijn verricht (geven van een kwitantie), of een vaststelling van wat partijen aan elkaar verschuldigd zijn, dan wel het kwijtschelden van mogelijke andere schulden tussen partijen. In lijn met zijn eerdere rechtspraak overweegt de Hoge Raad dat de bepaling dat partijen elkaar kwijting verlenen niet zonder meer ook kwijtschelding inhoudt. Of dat laatste het geval is moet worden vastgesteld aan de hand van wat partijen hebben bedoeld met het verlenen van kwijting. Daarbij telt dat niet snel mag worden aangenomen dat een partij – om niet- afstand zal doen van een recht op (aanvullende) betaling. Dat geldt temeer als de schuldeiser op het moment van kwijtschelding de rechten waarvan hij afstand doet (nog) niet kent. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof. Wat mij- terzijde- verwondert is dat in de uitspraken geen specifiek aandacht wordt besteed aan de aanduiding “finaal”. Men zou kunnen aanvoeren dat finale kwijting toch meer kwijting inhoudt dan gewone kwijting.

Conclusie

De moraal van dit verhaal is dat men voorzichtig moet zijn met het min of meer automatisch opnemen van een standaardbeding over kwijting in een overeenkomst. Gaat het alleen om een bewijs van betaling van hetgeen is afgesproken of is het de bedoeling van partijen (ook) eventuele andere – op dat moment zelfs mogelijk nog niet bekende vorderingen- over en weer kwijt te schelden? Het beste is om niet te volstaan met een standaardformulering, maar specifiek te omschrijven wat partijen voor ogen hebben met de kwijting.

Dick Sluis


«MEER WETEN? »