Wake up call voor de arbeidsrechtpraktijk

Slapende dienstverbanden zijn in strijd met goed werkgeverschap

 

Op 10 april 2019 heeft de kantonrechter te Roermond prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld met betrekking tot de toelaatbaarheid van ‘slapende dienstverbanden’. De Hoge Raad heeft op 8 november 2019 geantwoord. Hieronder volgt een korte samenvatting van het arrest.

Slapende dienstverbanden

Een slapend dienstverband is een dienstverband dat een werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van een werknemer niet heeft opgezegd, hoewel hij daartoe wel bevoegd is, en waarbij hij de werknemer geen loon meer hoeft te betalen. Omdat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet opzegt, hoeft hij geen transitievergoeding te betalen.

Het verschuldigd zijn van een transitievergoeding na een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt vaak door werkgevers onrechtvaardig gevonden, omdat zij voorafgaand aan die opzegging al twee jaar het loon doorbetaald hebben en kosten hebben gemaakt gericht op de re-integratie van de werknemer. De Wet compensatie transitievergoeding, die op 1 april 2020 in werking zal gaan treden, beoogt aan deze bezwaren tegemoet te komen. Op grond van artikel 7:673e BW kunnen werkgevers die na beëindiging van een dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, waaronder begrepen een beëindiging met wederzijds goedvinden, de transitievergoeding die zij hebben betaald op het UWV verhalen. Een aanspraak op compensatie is mogelijk voor arbeidsovereenkomsten die op of na 1 juli 2015 zijn geëindigd.

De prejudiciële vragen

De kantonrechter Roermond heeft vier prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Op de eerste drie vragen antwoordt de Hoge Raad ontkennend. Deze zal ik daarom buiten beschouwing laten. De vierde vraag aan de Hoge Raad luidt of de norm van goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW de werkgever onder omstandigheden ertoe verplicht in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van een ‘slapend dienstverband’ onder toekenning van een vergoeding. Deze vergoeding aan de werknemer bedraagt het bedrag dat de werkgever op grond van de Wet compensatie transitievergoeding kan verhalen op het UWV.

Het oordeel van de Hoge Raad

De wetgever beoogt met de Wet compensatie transitievergoeding een einde te maken aan het verschijnsel ‘slapend dienstverband’. De compensatieregeling en de daarbij behorende reden in de wetsgeschiedenis brengen mee dat als norm van goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW geldt dat een ‘slapend dienstverband’ in beginsel behoort te worden beëindigd als de werknemer dat wenst en de werkgever geen redelijk belang heeft bij voortduring daarvan. De norm van goed werkgeverschap brengt tevens mee dat in dat geval in beginsel door de werkgever aan de werknemer een vergoeding behoort te worden toegekend.

De beantwoording van de vraag luidt als volgt:

‘Als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, geldt als uitgangspunt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW, gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Daarbij geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen.

Op dit uitgangspunt moet een uitzondering worden aanvaard als – op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden – de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Zo’n belang kan niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.’

Kortom, de Hoge Raad oordeelt dat op de werkgever de verplichting rust om op verzoek van de arbeidsongeschikte werknemer het ‘slapende dienstverband’ te beëindigen onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Een uitzondering die op dit uitgangspunt gemaakt kan worden, is wanneer de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van het dienstverband. Een gerechtvaardigd belang kan gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden.

Tot slot

Voor vragen over dit onderwerp kunt u vrijblijvend contact opnemen met onze arbeidsrechtadvocate mr. Monique Bonsen-Lemmers.

Het arrest is te vinden op:https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1734


MEER WETEN? »